Kom in actie voor de hulptransporten van dit najaar!

CRR organiseert dit najaar minimaal twee hulptransporten naar Lesbos en heeft jou hulp daarbij nodig

Hulp aan vluchtelingen

CRR heeft ten doel: vluchtelingen waar ook ter wereld een helpende hand te bieden en het leven van iedere vluchteling aangenamer te maken...

Vrijwilligers gezocht

Voor reizen in februari en mei 2019 zijn we op zoek naar mensen die hulp willen bieden op Lesbos in kamp Moria.

previous arrow
next arrow
Slider
Zet een sponsor-actie op touw
Volg ons op social media
Neem ons werk mee in uw gebed
Ga mee met 1 van onze reizen
Support ons
met een gift
Support ons met goederen
Slider

Missie 12 ten einde | Afsluitende blog

- Amir is niet de echte naam in dit verslag - 

Reisverslag zondag 10 maart 2019

De zon komt op, maakt de morgen wakker.’

Onze onverwoestbare Maarten appt dit als ondertiteling bij de foto die hij op deze zeervroege ochtend maakte toen hij op zijn fiets in alle vroege eropuit trok om van de zonsopgang op Lesbos te genieten. In kamp Moria waar we met vier mensen van ons team de wacht houden bij sectie B en C, wordt de morgen vooral langzaam wakker. Net een echt weekend. Sectie B en C zijn de verblijven van alleenreizende vrouwen en jongens. Aan ons de taak om op te letten dat niemand sectie B of C binnen gaat die er niet hoort.

De meeste jongens in sectie B draaien zich nog een keer om als Amir al druk in de weer is met thee zetten voor ons. Tijdens ons typisch Arabische bakkie meer suiker dan thee, kletsen we met elkaar over van alles en nog wat. Terloops vertelt hij dat hij gisteren 17 is geworden. Het boeit hem niet want hij heeft een hekel aan zijn verjaardag. 

  Omdat het in het kamp rustig is kunnen Wilco en ik naar ‘Oasis’. Een opgekalefaterd pand met vrolijke muren, behangen met (Bijbelse) welkomsteksten waardoor je meteen het gevoel krijgt dat je met open armen ontvangen wordt in het bedehuis. ‘Oasis’ is opgericht door Mennonieten van stichting I58 (Jesaja 58) die zich ook in kamp Moria verdienstelijk maken. Crossend in onze sneeuwwitte Micra komen we Amir tegen op weg naar de kerk. Met de zon op zijn door automutilatie gehavende blote armen heeft hij de pas er flink in. Samen met andere vluchtelingen gaat hij de berg op richting tempel. 

Ze hadden zomaar zingend hun weg kunnen gaan: “Kom ga met ons en doe als wij.”

  Tijdens de dienst zit hij op de voorste kerkbank. Een matje op de grond. Zonder schoenen. Die laat iedereen achter bij de ingang. Alsof de grond waarop we zitten heilig is.

We zingen, er wordt gebeden, de Mennonitische predikant Imanuel preekt. Vurig klinkt zijn stem als hij gepassioneerd de blijde boodschap van het Evangelie brengt. Een jongen uit het kamp vertaalt in het Farsi. De preek gaat over de zonden die in de wereld zijn gekomen en vergeving naar aanleiding van het scheppingsverhaal, de zondeval en het offer van Jezus Christus aan het kruis. De preek is zo begrijpelijk dat een klein kind het kan snappen. Amirs blik rust onafgebroken op de predikant. Geen enkele keer haalt hij een rol kerksnoep tevoorschijn. Niet eens één keer zegt hij wat tegen zijn kerkburen. Zij zeggen ook niks tegen hem. Het gebruik van een smartphone tijdens de kerkdienst is blijkbaar alleen interessant als de preek dat niet is want zowel Amir als alle andere ontheemden die ik zie laten het ding tijdens de dienst voor wat het is. De predikant heeft het over wrok en haat. Wat als jij iemand haat, om iets wat een ander jou heeft aangedaan?  Dominee Immanuël vraagt om stilte en persoonlijk gebed. Om vrijgemaakt te worden van haat en wrok die ons hart kunnen vervullen. Mijn handen gevouwen, mijn ogen open. Ik móet gewoon naar Amir kijken. Zijn hoofd ligt zover mogelijk voorovergebogen op zijn borst. Zijn kaken gaan langzaam heen en weer. Het enige geluid dat ik hoor tijdens dit stille gebed is het zachte snikken van een vluchteling achter me.

  

Weer terug in Moria staat Amir ineens weer naast me.

  “Hey, ik zag jou ook in de kerk!” 

De glinstering in zijn ogen mengt de donkerbruine kleurlaag en pupil tot eenparig zwart. 

Hij vraagt me hoe ik de dienst vond en vertelt dat hij zelf graag naar de kerk gaat. In  Afganisthan ging hij ook elke zondag met zijn familie naar de kerk. Stiekem. 

  “Hier kan ik gewoon naar de kerk lopen zonder dat ik bang hoef te zijn dat iemand het  ziet. Dat is heel fijn.”

Ineens is hij weg maar tien minuten later is hij er weer. Hij aast op draden die wij bij ons hebben om het armbandjes ambacht uit te kunnen voeren. Mensen in kamp Moria bedrijven een welvarende handel in zelfgemaakte armbandjes. Ze zijn zonder geld te koop bij kampbewoners en toch onbetaalbaar als je er uit dankbaarheid één krijgt van iemand die blij is dat je er vrijwillig voor hen bent. Op een tuinbankje in de zon, twee opgestapelde pallets met een stuk karton erop als tuinkussen, zitten we samen te knopen met vier draden. Groen over blauw, blauw over rood, rood over geel en dan de volgende rij. Nadat Amir alle sociaal wenselijke vragen betreffende mijn huisje, boompje beestje situatie gesteld heeft doe ik dat ook maar. Het wordt een soort tentje, travel, hoop op een ticket to Athene verhaal. Het blijft een poosje stil. Opnieuw gaan zijn kaken heen en weer. Hij staart peinzend naar het grauwe beton onder zijn voeten zonder het te zien. Het armbandje in wording ligt stil op zijn schoot. Begint dan toch weer te praten. Non stop gaat hij door.

  Zijn vader werd de keel doorgesneden door de Taliban toen hij tien was. Reden van killing: zijn vaders geloof in God. Toen hij veertien was werd hij aangevallen door een achtjarig jongetje die gedreven en gehersenspoeld door de waanideeën van de Taliban hem bewerkte met een mes waar hij hem maar raken kon. Hij tilt zijn shirt omhoog om de bewijsstukken te laten zien. Twee littekens van zeker een centimeter breed doorkruisen zijn borstkas van net onder zijn hals tot aan zijn middenrif in de vorm van een Andreaskruis. Zowel links als rechts ontsiert een litteken dat niet netjes geheeld is de zijkanten van zijn romp. Stille getuigen van wreed geweld. Na de aanslag op zijn leven moet hij van zijn moeder en enige zus vluchen. Geld om de rest van het gezin ook te laten vluchten is er niet. Amir komt na een lange, lange wandeltocht in Turkije. Daar belandt hij in de gevangenis. Maandenlang verblijft hij met dertig andere jongens in een ruimte van vier bij vier meter. Liggen is onmogelijk. Zitten doen ze om de beurt. Per dag krijgen ze tien sneetjes brood per dertig jongens, en voldoende water om te overleven.

  “Ik wenste daar dat ik nooit was geboren, of dat ik snel dood zou gaan van de honger. Ik bad of God me kwam halen.”

Maar Amir bleef leven en kwam vrij. Na een paar mislukte pogingen om over te varen naar Griekenland lukte het hem om voet aan wal te zetten op Europese bodem nadat hij in een gammel bootje, volgepropt met mensen, de oversteek maakte. Sindsdien is Amir in kamp Moria. Blij vertelt hij:

  “Kamp Moria is voor mij de hemel! Ik mag vrij rondlopen, krijg te eten en ik heb hier vrienden. Het is hier zoveel beter dan in Afghanistan en Turkije.”

Vertwijfeld begin ik me af te vragen of de Taliban en het Turkse regime nog erger zijn dan in mijn voorstellingen wanneer deze knul vol overtuiging beweert dat de zogenaamde ‘hel van Lesbos’ voor hem de hemel op aarde is. Inmiddels is het armbandje af. Gedwee laat hij zijn zelfgemaakte creatie om zijn arm knopen. We spreken af dat de draden die dit armbandje mogelijk maakten mijn verjaardagscadeautje is voor zijn 17e verjaardag. Dit soort materialen zijn in het kamp namelijk zeer kostbaar en schaars. Tranen springen in zijn ogen en vergenoegd draait hij het felgekleurde juweel om zijn pols heen en weer. Vlak boven zijn pols aan de binnenkant van zijn arm prijken de littekens van brandwondjes, veroorzaakt door zijn eigen brandende sigaretten. Het tuinbankje van pallets met kartonnen bekleding heeft vanmiddag een dubbele functie. Amir is nog niet van plan zijn praatstoel te verlaten. 

  Knopend aan het tweede armbandje vervolgt hij zijn verhaal. Hij verlaagt zijn stemgeluid tot bijna fluisteren. Zachtjes vertelt hij dat hij vanmorgen heeft gebeden om wat zonneschijn op deze dag. Hij miste zijn vader en familie zo erg op zijn verjaardag dat hij weer wenste dat hij niet bestond. Daar voelde hij zich schuldig over omdat God hem blijkbaar heeft gewild. Anders zou hij niet bestaan. Door zijn depressieve gevoelens en angst grijpt hij soms naar de fles en sigaretten. Dat had hij gisteravond ook gedaan. De avonden zijn soms zo duister dat het lijkt of de duivel bij hem is. Hij zucht.

  “Ik weet dat God niet wil dat ik dit doe, en vraag me af of Hij me nog wil vergeven omdat ik het telkens weer doe. Toch vraag ik vergeving. Ook wil ik de moordenaar van mijn vader niet haten. De dominee zei vanmorgen dat we vrij moeten worden van haat, en ik weet dat het waar is. Maar dat is zo moeilijk voor mij!”

Op mijn vraag of hij de jongen die hem aanviel ook haat zegt hij: 

  “Die is gehersenspoeld door zijn vader. Ik heb medelijden met hem.”

Zijn vaardige vingers met daartussen de draden die langzaam maar zeker het tweede armbandje vormen gaan door. Groen over blauw, blauw over rood, rood over geel. 

We praten nog wat door over vergeving, verlossing en het offer dat Hij bracht voor mensen die Hem nodig hebben en al snel is het armbandje klaar.

Dit exemplaar is voor mij. Hij knoopt de uiteinden aan elkaar vast en overhandigt dit dierbare cadeau aan me. Onvergetelijk zijn voor mij de woorden die hij dan met vochtige ogen uitspreekt:

  “Ik bad om een dag met zonneschijn, waarop Hij me zou laten weten dat Hij mij niet vergeten is. En God heeft mijn gebed verhoord.”

Met tienduizend redenen tot dankbaarheid draai ik mijn armbandje rond om mijn pols. Mezelf belovend dat ik zijn verhaal, dat ook het verhaal had kunnen zijn van zovelen hier in het kamp, zal vertellen aan iedereen die het horen wil. 

En in mijn hart echoën tonen van hoop ‘Laat hem nog zingen als de avond valt.’

 

ANBI

Stichting Christian Refugeerelief heeft de ANBI-status toegewezen gekregen.